De rasstandaard

FCI-STANDAARD NO. 339 / 25-11-2003 / GB

(Nederlandse vertaling)

LAND VAN OORSPRONG:
Groot Brittannië

DATUM PUBLICATIE VAN DE ORIGINELE GELDIGE STANDAARD:
29-10-2003


GEBRUIK:
Robuuste, vasthoudende werkende terrier, met het vermogen onder de grond te werken.

CLASSIFICATIE FCI:
Groep 3 Terriers. Sectie 1 Grote en middelmatig grote terriers. Met werkproef.

KORTE HISTORISCHE SAMENVATTING:
De grondlegger van dit ras, dominee John (Jack) Russell werd geboren in 1795 in Darthmouth, Devon. Hij werd een geestelijke en diende voor het grootste deel van zijn leven in de parochie van Swymbridge in Devon. Als ervaren paardenman en groot jager raakte hij hartstochtelijk betrokken bij het fokken en selecteren van Terriërs. In 1873 werd de Kennel Club opgericht en hij werd een van de eerste leden. Hij overleed in 1883 op de leeftijd van 87 jaar. Toen hij studeerde in Oxford, kocht hij zijn eerste Terriër, een witte draadharige teef met aftekeningen aan de kop, die veel lijkt op de standaard van nu. Jack Russell probeerde een aantal kruisingen tussen verschillende terriërs, gekleurde en gedeeltelijk gekleurde types. Zijn bedoeling was te allen tijde de aanleg voor de jacht te verbeteren, zonder al te veel te letten op een gelijkvormig type. Dit bleef hij volhouden. Hij probeerde ook om het ras met andere rassen te kruisen, maar omdat het nageslacht niet leek op het oorspronkelijke type waren deze pogingen teleurstellend en werd er verder van afgezien. Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog werd dit ras steeds populairder in Europa, in het bijzonder bij jagers en paardenliefhebbers. Op 22 januari 1990 erkende de Kennel Club van Groot- Brittannië het ras en publiceerde een officiële interimstandaard onder de naam Parson Jack Russell Terriër. De F.C.I. op haar beurt accepteerde het ras en voegde het toe aan haar voorlopige lijst op 2 juli 1990. De huidige naam Parson Russell Terriër werd in 1999 door de (Britse) Kennel Club gegeven. Het ras werd door de F.C.I. definitief erkent op 4 juni 2001.

ALGEMEEN VOORKOMEN:
Degelijk, actief en lenig; gebouwd voor snelheid en uithoudingsvermogen. Totaalbeeld van harmonie en soepelheid. Littekens verkregen tijdens het werk zijn toegestaan..

BELANGRIJKE LICHAAMSVERHOUDINGEN:
Goed in balans. De totale lengte van het lichaam iets langer dan de hoogte van de schoft tot de grond. Lengte van de neus tot de stop iets korter dan van de stop tot de achterhoofdknobbel.

GEDRAG/TEMPERAMENT:
In wezen een werkende terrier met het vermogen en de bouw om onder de grond te werken en met de hounds mee te rennen. Moedig en vriendelijk.

HOOFD EN SCHEDEL:

  • Schedel : Vlak, gematigd breed, geleidelijk smaller wordend naar de ogen.
  • Stop : Ondiep.

AANGEZICHT:

  • Neus : Zwart.
  • Kaken en tanden : Kaken sterk en gespierd. Tanden met een perfect, regelmatig en compleet schaargebit, d.w.z. dat de boventanden juist over de ondertanden heen sluiten en staan recht in de kaak.
  • Ogen : Amandelvormig, tamelijk diep liggend, donker, met een levendige expressie.
  • Oren : Klein, V-vormig, voorover vallend, dicht tegen het hoofd gedragen, de punt van het oor moet de ooghoek kunnen raken, de vouw mag niet boven de schedellijn uitkomen. Oordikte middelmatig.

NEK:
Droog, gespierd, van goede lengte, geleidelijk breder wordend naar de schouders.

LICHAAM:
Goed in balans. Gehele lengte iets langer dan hoog van schoft tot grond.

  • Rug : Sterk en recht.
  • Lendenen : Licht gewelfd.
  • Borst : Matig diep, mag niet onder de punt van de elleboog uitkomen, moet achter de schouders omspannen kunnen worden door handen van gemiddelde grootte. Ribbenwelving niet te sterk.

STAART:
Vroeger gewoonlijk gecoupeerd.

  • Gecoupeerd : lengte die in een verhouding is tot het lichaam en een goed handvat vormend. Sterk, recht, middelmatig hoog aangezet, tijdens het gaan goed hoog gedragen.
  • Ongecoupeerd : Van middelmatige lengte en zo recht mogelijk, in goede harmonie tot de hond, dik bij de aanzet toelopend naar de punt. Middelmatig hoog aangezet, tijdens het gaan goed hoog gedragen.

LEDEMATEN:

VOORHAND:
Sterk, recht waarbij de gewrichten noch naar binnen noch naar buiten draaien.

  • Schouders : Lang en schuin, goed naar achteren liggend, schoft duidelijk belijnd.
  • Ellebogen : Dicht tegen het lichaam, vrij langs het lichaam bewegend.

ACHTERHAND:
Sterk, gespierd met goede hoeking

  • Knie : Goede kniehoeking.
  • Hakken : Laag, parallel, voldoende stuwing gevend.
  • Voeten : Compact met stevige voetzolen, die noch naar binnen noch naar buiten draaien.

GANGWERK/BEWEGING:
Vrij uitgrijpend, goed gecoördineerd, parallelle beweging van zowel voor als achter gezien.

HUID:
Moet dik en los zijn.

VACHT:

  • Beharing : Van nature stug, gesloten en dicht ingeplant, ruw of glad. Buik en onderkant behaard.
  • Kleur : Geheel wit of overheersend wit met tan, lemon of zwarte aftekeningen, of een combinatie van deze kleuren, bij voorkeur beperkt tot hoofd en/of staartaanzet.

MAAT:

  • Reuen : ideale schofthoogte 36 cm (14 inch).
  • Teven : ideale schofthoogte 33 cm (13 inch).

2 cm naar boven of beneden is acceptabel.

FOUTEN:
Elke afwijking van de hiervoor genoemde punten zou als fout aangemerkt moeten worden en de ernst waarmee de fout moet worden beschouwd dient in verhouding te staan tot de mate van de fout. Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsafwijkingen toont moet gediskwalificeerd worden.

N.B.:
Reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

 

Deze gewijzigde rasstandaard is geldig met ingang van april 2004.